HoornInfo.nl
zoek
 

De schipbreuk van Bontekoe

dichtbij de Straat van Soenda sloeg het noodlot toe. Tijdens het tappen van Brandewijn vatte het vat met brandewijn vlam. In eerste instantie leek de bemanning nog in staat de brand te blussen maar uiteindelijk explodeerde het schip. Er waren al een hoop mannen van het schip gevlucht maar tijdens de explosive waren er nog 190 man aan boord. Onder de 190 man op het schip bevond zich Schipper Willem Ijsbrantsz Bontekoe. Bontekoe en nog een ander bemanningslid waren de enige overlevenden.

image
De schipbreuk van Bontekoe
Bontekoe lag zwaargewond in het water en hij werd samen met de andere overlevende aan boord van de eerder gevluchtte sloep gehaald. Bontekoe werd in de sloep gelegd. Bontekoe gaf opdracht om bij het wrak te blijven maar tegen zijn orders in gaf de koopman Hein Rol opdracht om te roeien. Toen het licht werd waren ze het wrak kwijt en er was geen land in zicht. Er was een hele beperkte voorraad brood en geen water. Veel te weinig voor de twee sloepen.

Omdat roeien hopeloos was maakten de mannen van hun hemden een zeil en konden ze zeilen in plaats van roeien. Navigeren gebeurde s’nachts met behulp van de sterren. Als het regende werd met behulp van de zeilen regenwater opgevangen dat in twee tonnetjes werd opgeslagen.

Op een moment dat de mannen bijna vergingen van de honger vlogen er meeuwen over die zich lieten vangen, de meeuwen werden in stukken gesneden en rauw opgegeten. Dagen verstreken en er werd besloten om de twee sloepen samen te voegen. Als ze moesten sterven dan deden ze dat het liefst samen. Het regende niet meer en er was geen eten meer voorhanden. Toen hadden de mannen weer geluk, ze kwamen een school vliegende vissen tegen die in de boot sprongen. Ze aten de vissen rauw en het was weer net genoeg om in leven te blijven.

Omdat er gebrek aan drinken was dronken de mannen hun eigen urine. De mannen begonnen steeds aggressiever naar elkaar te kijken en het plan werd opgevat om de scheepsjongens op te eten. Bontekoe zag dit absoluut niet zitten en stelde voor om nog 3 dagen te wachten. Toen kwam er eindelijk land in zicht. De mannen hadden dertien dagen op zee gezeten nadat het schip was ontploft. De scheepsjongens overleefden de reis en zodra de mannen aan land waren begonnen ze met de zoektocht naar eetbare waar. Er was weinig te vinden behalve cocosnoten. Ze dronken cocosmelk en aten de rijpe cocosnoten. Nadat ze het eiland wat meer ontdekten werd een rustplaats ingericht en werden er wachtposten uitgezet. Gelukkig waren er wachtposten want er kwamen inboorlingen uit het bos met het doel om de schipbreukelingen te doden. De mannen hadden twee bijlen en een roestig sabel, te weinig om weerstand te bieden. Ze besloten om met brandende stokken naar de inboorlingen toe te snellen. De inboorlingen schrokken hiervan en vertrokken. De volgende dag kwamen een paar inboorlingen terug om handel te drijven. Ze brachten kippen en rijst en vertelden dat ze op Sumatra waren. Ook vertelden ze over Jan Pieterszoon Coen en wezen naarbeneden, daar moest Java zijn.

Om de reis voort te zetten was proviand nodig. Willem Ijsbrantszoon Bontekoe trok met een paar mannen naar het dorp om proviand in te kopen. In het dorp kregen ze te eten en te drinkgen en ze kochten proviand. Ze kochten een Karbouw maar die was zo wild dat ze hem niet te pakken kregen. De maten van Bontekoe besloten tegen het advies van Bontekoe in het dorp te blijven om de Karbouw te vangen als hij sliep. Willem ging terug naar de andere schipbreukelingen op het strand. Hij werd gebracht door twee inboorlingen. De inboorlingen zagen eruit alsof ze Bontekoe wilden vermoordden, ze vroegen om geld wat Bontekoe hen gaf. Willem Ijsbrantszoon Bontekoe was zo bang dat de inboorlingen hem zouden vermoordden en wist niet wat hij moest doen. Hij besloot om te gaan zingen tot groot vermaak van de inboorlingen. Na een tijdje kwamen ze aan bij het strand waar de andere schipbreukelingen hem al kwamen halen. De inboorlingen stelden nog wat vragen over waar de mannen sliepen en vertrokken toen.

De volgende dag kwamen ze terug, eerst verschenen er een paar inboorlingen met een Karbouw, de 4 man die achtergebleven waren  in het dorp waren er niet bij. Toen kwamen er twee a driehonderd man uit de bossen gestormd. De schipbreukelingen hielden dapper stand Maar moesten uiteindelijk naar de boot  vluchten. De boot was niet berekend op een haastig vertrek en ze moesten een lijn kappen om weg te komen, ook waren de zeilen over de boot gespannen. Door een lijn in te halen trokken ze de boot de zee in en door de steile kust konden de inboorlingen niet volgen. Door dit voorval verloor Willem Bontekoe 16 man.

Omdat de voorraden niet genoeg waren voor de overgebleven zesenvijftig man gingen ze nog een keer aan land, ze vonden drinkwater en oesters. Ze zeilden door en vonden een onbewoond eiland. Er was zoet water en er stonden suikerpalmen, ze sneden de rijpe toppen af. Willem Bontekoe wist ook niet meer hoe nu in Batavia te geraken dus hij besloot tot god te bidden. Hij klom op een heuvel en begon met bidden. Toen hij klaar was met het gebed keek hij op, de mist trok weg en hij zag twee hoge blauwe Bergen. Willem Corneliszoon Schouten had hem ooit verteld dat op de punt van Java twee blauwe Bergen te vinden waren dus hij wist dat dat Java moest zijn.
 
Recente artikelen